zondag 27 januari 2013

Mout

 Wat rest een mens meer dan zich onder te dompelen in het gerstenat van wat ooit mijn zuiderburen waren, maar die nu in het noorden wonen, als het verlangen naar omfloerste koestering niet meer door edele druivensappen gestild kan worden vanwege de onwil de daarvoor noodzakelijke trappen af te dalen?

 Mooi? Ik vind 'm niet verkeerd, al zeg ik het zelf. Nu de rest van het boek nog. Dat is en blijft toch zo godvergeve lullige bijkomstigheid, waar je voor je het weet het zoveelste gebit op stuk bijt. Hoe 'n van der Heijden een aanzet tot een triologie uit weet te bouwen tot het formaat van een bijna bibliotheek omvattend oevre, kan me jaloers maken. Iets waar ik normaal gesproken toch alleen last van heb, als een aanstaande ex zonodige buiten de deur moeten neuken in mijn eigen bed en dan te beroerd is om te wachten tot ik de deur uit ben. Tja het gebeurt, je ziet het aan de woordenvloed van v/der Heijden. Onvoorstelbaar maar waar.

 Misschien is het tijd om de beginzinnen maar links te laten liggen en me meer te concentreren op de volgende 958 pagina's, want al die plamfletjes van 179, 231 of 321 pagina's, daar doe ik niet aan mee. Als je iets doet, doe je het goed. Schitteren dan wel afgaan, schrijven of scheiden, herleven of opgeven.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten